Tobias Reijngoud

Fragmenten uit het nieuwe boek Weten is meer dan meten

De beschaving van heer Bommel

fragment uit Weten is meer dan meten

Dit boek had eigenlijk als titel moeten hebben: ‘Hoe God verdween uit Jorwerd’. Maar die titel is al vergeven. Bovendien heeft dit boek weinig met God te maken en al helemaal niets met een gehucht bij Leeuwarden. En toch was het een toepasselijke titel geweest. 

In ‘Hoe God verdween uit Jorwerd’ beschrijft Geert Mak de geschiedenis van een klein, Fries dorp. In de negentiende eeuw was Jorwerd een stabiele dorpsgemeenschap van boeren. Bij de meeste boeren stond de continuïteit van hun bedrijf voorop, niet het behalen van een maximale winst. Maar dat veranderde in de loop van de twintigste eeuw. Er waren veel ontwikkelingen die het dorp troffen, schrijft Mak, maar er was voortdurend één constante ondertoon: de suprematie van geld en markt boven al het andere.  Mak spiegelt ons niet voor dat het ‘vroeger allemaal beter was’. In tegendeel: de kleine wereld van het vroegere Jorwerd was behalve overzichtelijk ook beklemmend en verstikkend. Wat Mak wél laat zien zijn de consequenties van de veranderingen in de samenleving van het dorp. In zekere zin gaat het om het verdwijnen van die samenleving. De god die verdwijnt is dan ook niet in eerste instantie een religieuze God, maar eentje met een kleine ‘g’. Dat begrip ‘god’ staat voor zaken als sociaal verband, zingeving en ziel van de samenleving. 

De veertien interviews in dit boek gaan over de vraag wat er verloren gaat wanneer geld, financieel rendement en marktwerking dominant zijn in de publieke en private sector en in de samenleving. Het boek is ook een pleidooi voor een evenwichtiger benadering en een zoektocht naar alternatieven voor het dominerende, neoliberale denken van vandaag. Het boek draait met andere woorden om de vraag hoe we god weer terugkrijgen in het moderne Jorwerd. Geld speelt geen rol, weten we van Olivier B. Bommel. Níet omdat een heer van stand over grote hoeveelheden geld beschikt, maar omdat hij weet dat het niet van doorslaggevende waarde en betekenis is.

Filosoof Grahame Lock over de economisering van ons onderwijs

Het onderwijs is de afgelopen decennia meer en meer in de greep van de economisering gekomen. De school wordt vooral gezien als een fabriek om de werknemers van de toekomst op te leiden. Het idee is dat onderwijs pas goed zou zijn als het kinderen optimaal voorbereid op de arbeidsmarkt. Het curriculum van basisschool en voortgezet onderwijs wordt voor een belangrijk deel beperkt tot vakken die een direct economisch nut hebben: taal, rekenen en een aantal exacte vakken. Dat is zelfs expliciet de beleidslijn van de huidige minister van onderwijs.  Het beleid van de minister past keurig in het streven van de overheid om de zogenaamde ‘kenniseconomie’ verder te stimuleren. Het woord zegt het al: het gaat daarbij vooral om kennis die economisch nuttig is. 

Ook bínnen de vakken die nog worden gegeven, heeft het nuttigheidsdenken toegeslagen. Het onderwijs is grotendeels gericht op het ontwikkelen van ‘competenties’. Met andere woorden: bruikbare kennis. Neem het taalonderwijs. Dat is tegenwoordig vrijwel uitsluitend gericht op het leren gebruiken van de taal, met name in het kader van werk en carrière. Op zogenaamd praktisch nut dus. Dat is belangrijk, maar eenzijdig. Want taal heeft ook een esthetische, poëtische kwaliteit. Een kind dat die kant leert waarderen, wordt een rijker mens. Het bestuderen van een vergeten, zeventiende-eeuwse dichter is interessant en verrijkend voor de student.

Het kind als auto

In het onderwijs zien we steeds meer de ideologie van kostenefficiëntie terug die ook dominant is in het bedrijfsleven. Een fabrikant van auto's wil tegen zo laag mogelijke kosten zoveel mogelijk auto's produceren van een minimaal aanvaardbare kwaliteit. Zo maximaliseert hij zijn winst. De politiek wil scholen die tegen zo laag mogelijke kosten zoveel mogelijk werknemers produceren van een minimaal aanvaardbare kwaliteit. Vakken die geen direct economisch nut hebben – geschiedenis, literatuur, aardrijkskunde, muziek, kunst – worden gezien als overbodige ballast, luxe, verspilling en weggegooid geld. Economisering is een centraal element in de beweging die doorgaans wordt aangeduid met modernisering en rationalisering. Daarbij draait het om notities als efficiëntie, resultaatgerichtheid en snelle, doelgerichte productie. Rationalisering wordt eenzijdig geïdentificeerd met economische efficiency.

Met onderwijs dat alleen is gericht op economisch nut, zijn we ver verwijderd geraakt van waar een school oorspronkelijk voor bedoeld was. Het woord ‘school’ stamt van het Griekse ‘scholè’, wat zoveel betekent als ‘vrije ruimte’. De school als windstille plek in een jachtige samenleving, als beschermde en veilige ruimte om iets anders te leren en te denken dan waar de economie om vraagt. Natuurlijk moeten kinderen een aantal basisvaardigheden aanleren op het gebied van rekenen en taal. Maar daar mag het niet bij blijven. Een school is bij uitstek een plek om jonge mensen in aanraking te brengen met cultuur en geschiedenis, dus met dat wat een mens tot een geciviliseerd wezen maakt, tot een wezen met wortels en met een toekomst. Als een school breed en vormend onderwijs aanbiedt, ontwikkelt het zelfstandige geesten die niet kritiekloos meehobbelen met de massa, met reclame en met marketing. Iemand die de geschiedenis kent, gelooft bovendien niet zomaar wat politici en media hem wijsmaken.

Cultuurfilosoof Rob Riemen over de beschavingscrisis

Ik zeg niets nieuws. Ik doe niet veel meer dan herhalen wat Socrates, Plato, Spinoza en Nietzsche al zeiden. Het is een eeuwenoud verhaal. Niets nieuws onder de zon.

De mens is een wezen met een dubbele natuur. Enerzijds heeft hij een fysiek en aards bestaan. Hij heeft driften en instincten. De mens is een dier. Als hij zijn driften ongebreideld botviert, als hij het dier in zichzelf de teugels geeft, is de mens gewelddadig. Aan de andere kant is de mens een geestelijk wezen. Hij kent de wereld van de ideeën en de kracht van de verbeelding. De mens is in staat om de grote ideeën die het leven waardevol maken, te kennen. Vrijheid, waarheid, goedheid, vriendschap, liefde, schoonheid, compassie, rechtvaardigheid, wijsheid. De basis van elke beschaving en elke moraal is het besef dat de mens zijn identiteit ontleent aan wat hij moet en kan zijn, aan zijn potentie: drager van onvergankelijke waarden die een uitdrukking zijn van menselijke waardigheid en menselijke grootheid. 

Het besef van de universele, geestelijke waarden zijn we in onze postmoderne, nihilistische samenleving verloren. De grote waarden zijn zonder betekenis geworden omdat alles gezien wordt als relatief en subjectief. Mijn waarheid en mijn gelijk zijn net zo goed als die van jou. Natuurlijk, we praten nog wel over wat waar, goed en schoon is, maar dat is allemaal niets anders dan wat jij daarvan vindt, of ik. Alles kan alles betekenen – en dus betekent het niets meer.

We hebben vandaag te maken met een beschavingscrisis. Beschaving is altijd maar een heel dun vernislaagje dat het gewelddadige beest in de mens bedekt. Op het moment dat we de absolute, geestelijke waarden vergeten, verdwijnt het laagje vernis en rest ons niets anders dan het najagen van onze driften. Zoals een dier dat doet. Het verlies van waarden en cultuur kan uiteindelijk nergens anders toe leiden dan tot een eindeloze spiraal van geweld. Want met het verlies van absolute waarden als goedheid, vriendschap en schoonheid, gaat ook de moraal verloren. Wanneer goedheid niets anders meer betekent dan wat ik goed vind of jij, dan betekent het niets meer.

Milieukundige Klaas van Egmond over het belang van een evenwichtige ontwikkeling

De mens is een burger van twee werelden. Hij heeft enerzijds een fysiek, lichamelijk en aards bestaan. Anderzijds is hij een geestelijk wezen met een religieus, spiritueel bewustzijn. We kunnen de mens daarmee plaatsen op het midden van een verticale as tussen geest (boven) en materie (onder). Dat in onze geseculariseerde, materialistisch georiënteerde samenleving niet ieder individu zich zelf daadwerkelijk een spiritueel wezen vóelt, doet niets af aan de constatering dat de mens burger is van twee werelden. De wereldgeschiedenis laat zien dat grote groepen mensen het dualistische in het bestaan altijd hebben ervaren. Het is daarom inderdaad niet vreemd om te constateren dat mensen zich van oudsher oriënteren in het krachtenveld tussen geest en materie. Deze dualistische oriëntatie is niet voor niets het grote thema geweest van veel filosofen. Zo spreekt Plato over het geest-lichaam complementariteit, Hegel over idealisme versus materialisme en Steiner over geest versus materie. Ook psycholoog Jung beschrijft de verticale tegenstelling tussen spiritueel en materieel.

Met de plaatsing van de mens in het verticale krachtenveld zijn we er nog niet. Want er is een ander, horizontaal krachtenpaar waarin de mens zich eveneens beweegt. Dat is die tussen de pool ‘ik’ en de pool ‘wij, de samenleving, de wereld’. De mens is enerzijds een individu met eigen, unieke kwaliteiten, verlangens en behoeftes. Maar anderzijds is elk mens ook deel van sociale eenheid: familie, samenleving, wereld. We kunnen de mens daarmee plaatsen op een horizontale as tussen ‘ik’ (rechts) en de wereld of de samenleving (links). Ook over deze tweede, horizontale oriëntatie hebben veel filosofen zich gebogen. Denk aan Levinas die spreekt over ‘Ik’ versus de ‘Ander’ en Steiner die spreekt over subjectief (ik) versus objectief (wij).

Combineren we de twee assen ‘geest en materie’ en ‘ik en wij’, dan ontstaat een dubbel spanningsveld waarbinnen de mens zich beweegt. De vier polen kunnen we onderling met een cirkel verbinden. De twee assen vormen daarbinnen een kruisdiagram met vier verschillende kwadranten. In elk van de vier kwadranten zijn steeds twee waardeparen dominant. Het kwadrant rechtsboven wordt gedomineerd door ‘ik’ en ‘geest’, die linksboven door ‘wij’ en ‘geest’, linksonder door ‘wij’ en ‘materie’ en rechtsonder door ‘ik’ en ‘materie’. Iedere individuele mens is weer anders geplaatst in het totaal van de vier polen. De een is spiritueel en religieus georiënteerd en bevindt zich dus ergens in de bovenste twee kwadranten. De ander is sociaal en collectief georiënteerd (links), of juist individualistisch of egocentrisch (rechts), een derde materialistisch (onder), een vierde juist spiritueel of idealistisch.

Publicist Jan Blokker over het nut van nutteloze vakken

“Meneer Blokker, als ik geschiedenis ga studeren, kan ik dan later tafelzilver kopen?” Dat vroeg een van mijn leerlingen me toen ik geschiedenis gaf aan het Vossius Gymnasium in Amsterdam. Het was ergens in de jaren negentig. Ik antwoordde dat er vermoedelijk geen tafelzilver in zou zitten als hij zou kiezen voor geschiedenis, maar dat het wel een ontzettend interessante studie is. Het mocht niet baten: de jongen is iets anders gaan studeren, iets waarmee zijn kansen op de arbeidsmarkt er een stuk rooskleuriger uitzagen.

Het is niet nieuw om het nut van studies en vakken in het onderwijs te beoordelen op basis van de kansen die ze je later bieden op de arbeidsmarkt. In de jaren tachtig en negentig had je overheidscampagnes als ‘Kies exact’ en ‘Een slimme meid is op haar toekomst voorbereid’. Dat was welbewuste propaganda voor bètavakken. En ook daarvoor al was er sprake van een overwaardering van zogenaamde ‘nuttige’ vakken boven de ‘onnuttige’. Daarbij wordt ‘nuttig’ gedefinieerd in economische termen. Het gaat om vakken en studies waarmee je later een succesvolle carrière kunt maken (lees: veel geld kunt gaan verdienen). En het gaat om opleidingen waarmee je een bijdrage kunt leveren aan economische groei en ontwikkeling. 

Dit nuttigheidsdenken leidt in de praktijk tot een soort alfavijandigheid. Het zijn immers vooral de exacte vakken, aangevuld met de ‘nuttige’ talen (Engels!) die hoog worden aangeschreven. De huidige minister van onderwijs baseert er zelfs haar beleid op: ze wil dat scholen zich vooral richten op wiskunde, Nederlands, Engels en ‘science’.  Dat laatste is een wat amorf samenraapsel van verschillende exacte vakken zoals natuurkunde, biologie en scheikunde. Alle andere vakken zijn in de ogen van de minister tweederangs – hoewel ze dat natuurlijk niet met zoveel woorden zegt. Wat ze wél zegt is dat een sterke gerichtheid op de nuttige vakken belangrijk is om “onze internationale concurrentiekracht te versterken.”

Econoom Herman Wijffels over de nieuwe ontwikkelingsfase van de beschaving

Van atomistisch naar relationeel, van specialisatie naar integratie, van concurrentie naar samenwerking, van mechanisch naar organisch: dat zijn de veranderingen die we nu en in de komende jaren meemaken en met elkaar vormgeven. Want we leven in een overgangstijd naar een nieuwe ontwikkelingsfase van onze cultuur en beschaving. Oud denken maakt plaats voor nieuw denken. Het atomistische, egocentrische en strikt rationele wereldbeeld maakt plaats voor een benadering waarin juist samenwerking, relaties, emotie en empathie centraal staan. Dat nieuwe denken is nodig omdat het oude niet geschikt is voor de opgave van de eenentwintigste eeuw.

We kampen momenteel niet alleen met een financiële en schuldencrisis maar ook met een minstens even serieuze ecologische crisis. We staan de komende jaren en decennia voor de uitdaging om deze crises op te lossen. Hoewel beide vraagstukken ogenschijnlijk sterk van elkaar verschillen, zijn ze in werkelijkheid nauw met elkaar verbonden. Want zowel de financiële als de ecologische crisis komen voort uit het gegeven dat we ver voorbij de grenzen zijn geraakt van wat economisch en ecologisch mogelijk is. We hebben een financiële schuld opgebouwd die feitelijk te groot is om nog te dragen. Ons hoge welvaartsniveau is voor een belangrijk deel gefinancierd met geld dat in de toekomst moet worden verdiend. In feite staan we dus fors bij de toekomst in het krijt. Té fors, zoals door de huidige schuldencrisis langzamerhand tot iedereen begint door te dringen. 

Maar we staan niet alleen bij de toekomst in het krijt. Want onze hoge welvaart is ook gecreëerd op kosten – of beter: ten koste – van de natuur en de aarde. We verbruiken te veel grondstoffen en natuurlijke hulpbronnen en teren in op de voorraden die de aarde kan leveren en aanvullen. Daarnaast vervuilen we het milieu en tasten het klimaat en het ecologisch evenwicht aan. Zo hebben we, naast een financiële, ook een forse ecologische schuld opgebouwd.

Filosoof Hans Achterhuis over de vrije markt als utopie

Aan de Universiteit Twente was ik tot 2007 als hoogleraar verbonden aan de opleiding filosofie van de techniek. Op een zeker moment waren er twee goede studenten die na een paar jaar in Twente te hebben gestudeerd, zich breder in de filosofie wilden ontwikkelen dan alleen op het specifieke terrein van de techniekfilosofie. Dat leek me een uitstekend idee omdat het inderdaad precies bij hun persoonlijke interesse. Ik adviseerde ze daarom eens te gaan praten op algemenere universiteiten in bijvoorbeeld Groningen of Utrecht. Dat advies viel bij beide studenten vanzelfsprekend in goede aarde, maar niet bij een deel van mijn collega's, die mij informeel min of meer op het matje riepen. Of ik wel wist dat het de universiteit geld kostte wanneer studenten in Twente hun opleiding halverwege afbraken? En of ik wel doorhad dat ik met andere universiteiten hoorde te concurreren om studenten? In het gesprek met hen moest ik erkennen dat ik het inderdaad zo nog niet had bekeken. Maar ook dat ik niet van plan was het zo te bekijken. Want ik zag – en zie – collega’s bij andere universiteiten niet als concurrenten maar als vakbroeders. En ik vind het onzuiver om studenten níet aan te raden om over te stappen alleen vanwege het feit dat het geld zou kosten.

De redenering van de Twentse collega’s die mij aanspraken op mijn advies aan de twee studenten, komt voort uit marktdenken. Daarin zijn financiële afwegingen en concurrentieoverwegingen bepalend voor de besluitvorming. Het staat buiten kijf dat het marktmodel in veel gevallen uiterst nuttig en bruikbaar is, zoals bij de productie en verkoop van consumptiegoederen en voedsel. Maar de marktlogica bijt met de logica van het onderwijs en de wetenschap. Wanneer afwegingen van financiële aard in het onderwijs domineren, leidt dat onherroepelijk tot verschraling. Had ik me bij mijn advies aan de twee studenten laten leiden door de marktlogica, dan had ik ze hartgrondig afgeraden te vertrekken en ze gestimuleerd om hun opleiding in Twente af te maken. Als ze dat financieel gedreven advies ter harte hadden genomen, hadden beide dus een opleiding gevolgd die niet écht hun interesse had. Dat is verschraling. Evenzeer als wanneer ik mijn collega’s bij andere universiteiten zou zien als concurrenten. Dat zou de vrije uitwisseling van ideeën belemmeren en daarmee de inhoudelijke ontwikkeling van het vakgebied.

Econoom Arnoud Boot over het verlies van de ziel van ondernemingen

Een aantal jaren geleden was er een uitgever die werd overgenomen door een private equity fonds. Het was een oude uitgeverij met een lange traditie. Het bedrijf was van vader op zoon overgegaan. Ooit was het een bloeiende en toonaangevende uitgeverij, maar inmiddels was de fut eruit. Het bedrijf draaide inefficiënt en er werden verliezen geleden. Er waren dus goede redenen voor de overname door het investeringsfonds. De investeerders schudden de boel flink op en de uitgever maakte na een tijdje weer winst. De investeerders  maakten echter één cruciale fout. In de uitgeverij hing een oud schilderij aan de muur. Dat schilderij hing al in het bedrijf sinds de oprichting, generaties terug. Het was een mooi schilderij en de nieuwe investeerder besloot het kunstwerk te gelde te maken. Het schilderij werd verkocht. Vanaf dat moment ging het mis tussen de investeerder en de werknemers van de uitgeverij. Want het schilderij symboliseerde de eenheid van het bedrijf en het gevoel van verbondenheid van werknemers met het bedrijf. Het was het symbool van dat wat de onderneming bij elkaar houdt. Het stond symbool voor de ziel van de onderneming, voor het bindend vermogen. Dat vermogen, die ziel verdween toen de werknemers zagen dat de nieuwe eigenaren van het bedrijf zonder blikken of blozen het symbool van de eenheid te gelde maakten. Vanaf dat moment kwam de vraag op bij medewerkers: waarom werken we hier eigenlijk? Wat bindt ons nog aan dit bedrijf? Er ontstond wantrouwen tussen de werknemers en het bedrijf. Er was in wezen sprake van een ontmanteling van de bedrijfscultuur en de gedeelde waarden en normen. 

Circus rond financiële markten

Ondernemingen hebben de afgelopen jaren in toenemende mate te maken met de gekte en het circus rond financiële markten. Die gekte, dat circus bestaat uit 24-uurs media, financieel analisten en managementconsultants. Bij financiële instellingen zoals banken manifesteert  de externe druk zich het meest duidelijk. Maar zij zijn zeker niet de enige instellingen die zich hebben overgeleverd aan de druk van de markt. Het geldt in beginsel voor elke onderneming die beursgenoteerd is. De druk uit zich in een gerichtheid op de korte termijn, op aandeelhouderswaardecreatie en op een sterke transactiegerichtheid. Wanneer dit alles te ver wordt doorgevoerd en de bedrijfsstrategie gaat beheersen, gaat dat ten koste van wat ik ‘de ziel’ of cultuur van de onderneming noem.

Econoom Arjo Klamer over de economie van overvloed en onbehagen

Als ik u vraag wat het belangrijkste is in uw leven, dan is de kans groot dat u antwoordt: mijn gezin en mijn kinderen. En niet: mijn auto of de grootte van mijn huis. En als ik u vraag wat binnen uw werk het belangrijkste is, dan zegt u waarschijnlijk: waardering door collega’s en vakgenoten. Wellicht dat u bij die laatste vraag even twijfelt over antwoorden zoals ‘de hoogte van mijn salaris’ en ‘de snelheid waarmee ik carrière maak’. Maar als u even nadenkt, zult u vermoedelijk inzien dat de voldoening van een succesvolle carrière of een hoog salaris als sneeuw voor de zon verdwijnt wanneer uw collega’s u het succes niet gunnen en u links laten liggen. 

De kwaliteit van het gezinsleven, de relatie met de kinderen en de waardering van collega’s: het zijn allemaal relationele en sociale kwaliteiten en waarden. Het lijkt een opendeur om te constateren dat de mens wordt gedreven door juist díe sociale waarden. Toch is de constatering minder vanzelfsprekend dan ze lijkt. Want wie politici, managers en economen hoort praten zou immers zomaar kunnen denken dat het in het leven om andere dingen draait. Dingen als: de hoogte van het inkomen, economische groei, bruto nationaal product, omzet, winst en efficiency. Ministers en economen maken zich zorgen als de economische groei terugloopt, managers wanneer de winst van hun bedrijf inzakt. Dan komen ze in actie en nemen maatregelen. Ze bezuinigen, introduceren marktwerking of proberen de efficiency te verbeteren.

Blijkbaar gaat het in de politiek en het bedrijfsleven om andere waarden dan in het leven van mensen. Waar het mensen in eerste instantie gaat om sociale en relationele waarden, draait het in de politiek en de economie vooral om financiële waarden. Die discrepantie is vreemd. Want waarom staan politiek en economie niet ten dienste van hetgeen wij als mensen het belangrijkste vinden? En waarom laten mensen zich wijsmaken dat het in het leven zou gaan om loopbaansucces en een zo hoog mogelijk salaris?

Cultuur psycholoog Jos van der Lans over de publieke sector en het welzijnswerk

Ik ben in de jaren ‘50 en ‘60 opgegroeid in een volksbuurt Den Haag. We woonden in een huurwoning van Woningbouwvereniging ‘s-Gravenhage. Zoals de meeste woningbouwverenigingen was dat een tamelijk kleine organisatie die bovendien prominent in de wijk aanwezig was. Letterlijk, want een van de medewerkers hield kantoor aan het Weigeliaplein 43, bij ons op om de hoek. Voor mijn ouders en voor alle andere huurders was die man ‘de woningbouw’. Dat er ook nog ergens in de binnenstad een hoofdkantoor stond, hebben mijn ouders vermoedelijk nooit beseft. De bewoners regelden hun zaken met de man op nummer 43. Op zijn beurt kende de man zelf iedere huurder bij naam, kende de gezinnen van de wijk en wist waar en wanneer er ergens problemen waren. De woningbouwvereniging was dichtbij en had een gezicht. De man van de woningbouw trapte tussen de middag soms een balletje met ons, jongens van de buurt.

Het kantoortje aan het Weigeliaplein is lang geleden gesloten. Zoals de meeste instellingen in de (semi)publieke sector en het maatschappelijk werk, trokken vanaf eind jaren ‘70 – en soms al eerder- ook woningbouwverenigingen weg uit de leefwereld van de mensen. Er ontstond een zakelijker, afstandelijker cultuur. Het was de no-nonsensetijd en de tijd van economische crisis en overheidsbezuinigingen. 

De zakelijke, afstandelijke benadering in de publieke sector was dominant in de jaren ‘80 en ‘90. Maar sinds de eeuwwisseling is er iets wezenlijks aan het veranderen. We zien op veel plaatsen binnen de publieke sector weer een beweging naar buiten, naar burgers toe. De kantoordeuren gaan open, de professionals komen voorzichtig en schoorvoetend weer op straat en keren stapje voor stapje terug naar de leefwereld van burgers. Ook woningbouwverenigingen openen hier en daar weer laagdrempelige wijkkantoren. Niet dat de zakelijke benadering daarmee wordt verlaten: er is vaak eerder sprake van een combinatie van de zakelijke afstandelijkheid en de ‘ouderwetse’ nabijheid. Je zou kunnen zeggen dat het gaat om een soort ‘retro-innovatie’: het hernemen van een aantal waardevolle elementen van vroeger die de afgelopen decennia verloren zijn gegaan.

Socioloog Abram de Swaan over het waanidee van het marktisme

Het idee van de vrije markt zoals dat door Adam Smith is geformuleerd, behoort tot de meest elegante en revolutionaire concepten uit de geestesgeschiedenis van de mensheid. Maar de geldigheid van het concept is, zoals die van alle concepten, beperkt. Wanneer je het te ver en te absoluut doorvoert, verwordt de vrije markt tot een fundamentalistische ideologie: de neoliberale heilsleer van het marktisme. Het neoliberalisme is een uiting van fundamentalistisch marktgeloof. Fundamentalisme en het idee dat er één absolute leer is waaruit met volstrekte stelligheid kan worden afgeleid wat waar is, wat goed is om te doen en wat van waarde is, is misschien wel de gevaarlijkste dwaling waarin de mens kan vervallen. 

Vorige eeuw zijn er tenminste twee wereldmachten te gronde gegaan aan een waanidee. Het ene rijk was dat van de rassenwaan, het andere dat van de klassenwaan. Ook een open, democratische samenleving als de onze blijkt niet immuun voor fundamentalisme. Want de afgelopen decennia is het Westen meer en meer in de greep gekomen van het waanidee van de absolute vrije markt. Die greep is voor een belangrijk deel te verklaren uit het gegeven dat het marktisme heel lang – in elk geval tot de kredietcrisis, en in zekere zin tot op de dag van vandaag- de schijn wist op te houden dat het wetenschappelijk gefundeerd zou zijn. Dat is het niet. Er is geen enkele deugdelijke, wetenschappelijk grond voor de stelling dat de volledig vrije markt zichzelf weet te reguleren en in toom weet te houden, zoals de marktgelovigen bepleiten. De kredietcrisis is het meest sprekende voorbeeld van de manier waarop een té vrije markt uit de bocht kan vliegen en ontwrichtende gevolgen kan hebben voor de economie. 

De ‘wetenschap’ van het marktisme werd en wordt gepredikt aan de businessschools en managementopleidingen van universiteiten. Businessschools zijn weinig meer dan de intellectuele bordelen van de universiteit. Immers, vrijwel iedereen die erbij betrokken is komt er recht voor uit dat hij alleen voor het geld ‘wetenschap’ bedrijft. Overigens is er een interessante parallel tussen de schijn van wetenschappelijkheid van het marktisme en die van de andere twee genoemde ideologieën: de rassen- en klassenwaan. Want ook die pretendeerden wetenschappelijk gefundeerd te zijn.

Historicus Frank Ankersmit over de kortzichtigheid van het neoliberalisme

De kredietcrisis en de schuldencrisis zijn het demasqué is van het neoliberalisme. Iedereen die de ontwikkelingen van de afgelopen jaren met enige scherpzinnigheid analyseert, kan niet anders concluderen. Toch doen overal in het Westen neoliberale politieke partijen het electoraal erg goed, soms zelfs beter dan voor de crisis. Dat is volstrekt contra-intuïtief en tamelijk verbijsterend. Ik heb me vaak afgevraagd waarom de kredietcrisis niet is begrepen zoals ze naar mijn mening zou moeten worden begrepen: als een overdonderd signaal dat het neoliberalisme tot grote ongelukken leidt. Op die vraag heb ik het antwoord niet, hoewel ik denk dat het iets te maken heeft met het gebrek aan geloofwaardig politiek alternatief. Op het eerste gezicht zou je denken dat dat alternatief zou moeten komen van partijen aan de linkerzijde van het politieke spectrum. Maar de sociaaldemocratie heeft sinds de val van de Muur geen eigen verhaal meer. Met de val van het communisme is de sociaaldemocratie in diskrediet geraakt. Men is zeer dicht tegen het neoliberalisme aangekropen, ook in Nederland. Mensen als Wouter Bos en tot op zekere hoogte ook Wim Kok hadden een neoliberale agenda. Bij de sociaaldemocraten heerst een volstrekt gebrek aan ideeën. Men is visieloos en grijs en biedt geen antwoorden op de vragen van vandaag.

Een andere verklaring voor het missen van de les van de krediet- en schuldencrisis is misschien het gegeven dat die crises eenvoudigweg niet diep genoeg zijn om politiek en burgers wakker te schudden. Wellicht is er een tweede, nog grotere crisis voor nodig. Dat is in zekere zin een wat trieste constatering. Anderzijds is het een historische realiteit dat crises nodig zijn om werkelijke veranderingen af te dwingen. Wezenlijke veranderingen komen nu eenmaal niet zonder slag of stoot tot stand. 

Een laatste verklaring zou kunnen zijn dat de krediet- en schuldencrisis signalen zijn van het gegeven dat we een nieuwe historische fase betreden en waarop geen enkele bestaande ideologie – noch neoliberalisme, noch liberalisme noch enige variant van het socialisme - ons heeft voorbereid. Dat zou vervelend zijn. Want het duidelijk dat er snel gehandeld moet worden. Als de bestaande ideologieën inderdaad geen antwoorden bieden, zitten we dus met een fors probleem. Laten we dus maar hopen dat deze verklaring onjuist is.   

Zorgethica Marian Verkerk over het belang van de vraag: Wat vindt u waardevol in het leven?

Het debat over marktwerking als methode om de kosten te beheersen overheerst de politieke en publieke discussie over de toekomst van de zorg. Maar het is verstandig om je terughoudend op te stellen in dat debat. Dit allereerst vanwege het feit dat ‘marktwerking in de zorg’ grotendeels een non-issue is: in de zorg zal altijd sprake zijn van sterk gereguleerde marktwerking. De overheid garandeert immers het publieke belang van kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van de zorg. Die voorwaarden zijn dusdanig bepalend dat je je kunt afvragen wat er in de praktijk van marktwering overblijft. 

Maar er is een tweede, fundamentelere reden om niet al te fanatiek mee te doen aan het debat over marktwerking in de zorg. Die luidruchtige discussie overschaduwt namelijk de aandacht voor een vraag die veel fundamenteler is voor de toekomst van de zorg. Dan gaat het om de vraag welk soort zorg en welke medische ingrepen we met elkaar willen betalen voor welke groepen in de samenleving. Die vraag is met name relevant als het gaat om de ouderenzorg: moeten we grenzen stellen aan de beschikbaarheid van medische handelingen aan ouderen, voor zover die collectief of via de ziektekostenverzekering worden vergoed? 

Dat is een ethisch, normatief vraagstuk dat uiteindelijk ook een effect heeft op de problematiek van het betaalbaar houden van de gezondheidszorg. De kosten van de gezondheidszorg stijgen immers de komende jaren vooral door de vergrijzing. Beter gezegd: door het beschikbaar stellen van dure, medische zorg aan de groeiende groep ouderen. Als je iets aan die beschikbaarheid doet, pak je het financiële probleem aan. Maar die financiële consequentie komt pas aan het einde van het ethische debat aan de orde.

Bankier Peter Blom over de transactiegedreven financiƫle sector

De kredietcrisis heeft niets wezenlijks veranderd in de financiële sector. We zitten nog steeds met een enorme bellenblazerij van banken die hun winst grotendeels halen uit investeringen in financiële markten en van snelle bankjongens die veel te veel verdienen. Er zijn sinds de kredietcrisis wel wat oppervlakkige veranderingen doorgevoerd, zoals een beperking van de hoogte van de bonussen, maar de diepere oorzaken van de kredietcrisis zijn niet weggenomen. Als dat zo blijft, is het eenvoudigweg wachten op de volgende crisis.

De belangrijkste les uit de kredietcrisis was dat de samenleving tegen risicovol gedrag van banken in bescherming moet worden genomen. Maar die les is niet opgepikt. De politiek staat aan de lat om de bescherming te organiseren via wet- en regelgeving en moet banken dwingen tot het beperken van risico’s. Maar de nationale en internationale politiek laat het tot op heden afweten. Banken hebben de kredietcrisis gepresenteerd als iets eenmaligs, als incident. De politiek is met die redenering meegegaan en beseft niet dat de kredietcrisis een gevolg was van een dieperliggend, structureel probleem: teveel vrijheid voor bankiers.

Money makes the world go round

Bankiers zijn net mensen. Ze gebruiken de speelruimte die ze krijgen. Dat bleek in de aanloop naar de kredietcrisis en dat blijkt nog steeds. Bij wetgevers en toezichthouders heerst sinds de jaren tachtig het geloof in de corrigerende werking van de vrije markt. Banken en financiële instellingen kregen alle vrijheid om hun activiteiten uit te breiden en grootschalig te investeren in zeer risicovolle financiële markten. Daarmee brachten ze om te beginnen zichzelf in gevaar, zoals blijkt uit de ongekende staatssteun die nodig was om banken voor omvallen te behoeden. Maar het bleef niet bij wankelende banken. Ook de maatschappelijke schade was enorm, in de vorm van een diepe economische crisis, een geëxplodeerd overheidstekort gevolgd door een nieuwe fase van dezelfde problemen: de huidige schuldencrisis. 

Een bank is geen gewoon bedrijf. Van oudsher heeft het beroep van bankier een maatschappelijke, dienende functie. Een nutsfunctie, vergelijkbaar met die van water- en energieleveranciers. Water en stroom moeten er altijd zijn, want stokt de levering daarvan, dan komt de maatschappij tot stilstand. Datzelfde gaat op voor de beschikbaarheid van geld. Als kredieten niet meer beschikbaar zijn, stokt de economie. Money makes the world go round. De basisfuncties die verbonden zijn met de nutsfunctie van een bank, zijn beperkt. Want naast het organiseren van het betalingsverkeer en het bieden van een aantal ondersteunende financiële diensten, beperkt een ‘klassieke’ bankier zich enerzijds tot het aantrekken van spaargeld van burgers en ondernemers. Anderzijds zet hij dat geld vervolgens uit in de vorm van kredieten aan particulieren die bijvoorbeeld een huis willen kopen of aan ondernemers die een investering willen doen. De klassieke bankier werkt daarmee mensgericht: het spaargeld dat hij beheert is afkomstig van mensen van vlees en bloed, en de kredieten die hij versterkt gaan naar burgers en ondernemers.

Socioloog Evelien Tonkens over meetbaarheid en marktwerking in de zorg

Een voorpublicatie van dit interview verscheen op socialevraagstukken.nl

Een bewerking van dit interview verscheen op waterlandstichting.nl

Marktwerking in de gezondheidszorg is een gedrocht. Het zet zorgaanbieders zoals huisartsen, specialisten en ziekenhuizen aan tot fout gedrag, namelijk tot maximale productie. Want hun persoonlijke inkomsten en die van hun instelling zijn door de invoering van marktwerking voor een belangrijk deel afhankelijk van het aantal patiënten dat ze zien en het aantal onderzoeken dat ze doen. Marktwerking leidt tot behandelingen en onderzoeken die vanuit medisch oogpunt tamelijk nutteloos zijn maar wel worden uitgevoerd omdat ze de zorgaanbieder geld opleveren. Zo stimuleert marktwerking precies wat de voorstanders ervan – terecht - zeggen te willen bestrijden: de voortdurende snelle stijging van de kosten van de gezondheidszorg. De betaalbaarheid van ons collectieve stelsel komt door de invoering van marktwerking ernstig in het gedrang. Een ruimhartig stelsel waar mensen die écht medische hulp nodig hebben altijd terecht kunnen, is op lange termijn alleen gegarandeerd als alle actoren permanent ‘op zuinig’ staan. En niet, zoals dat door marktwerking het geval is, op uitgeven en verkwisten. Door het aanzetten tot maximale productie legt marktwerking te bijl aan de wortels van ons zorgstelsel.

Hoe werkt het aanzetten tot maximale productie? Neem huisartsen. Die krijgen in het huidige financieringsstelsel stukloon: hun inkomen bestaat voor een kleiner deel uit vaste inkomsten en voor een groter deel uit productieafhankelijke betaling. Is de productie te laag, dan komt het voortbestaan van hun praktijk in gevaar. De meest eenvoudige manier om inkomsten te generen is via het doen van medisch onderzoek. Want in tegenstelling tot medische behandelingen, zijn onderzoeken risicovrij. Een onderzoek heeft weinig tot geen kans op complicaties of bijwerkingen bij de patiënt, in tegenstelling bijvoorbeeld het slikken van medicijnen. En dus blijkt in de praktijk dat huisartsen steeds meer onderzoeken en onderzoekjes doen. Daartoe worden ze nog eens extra gestimuleerd door de hedendaagse mondige patiënt die zelf vaak vraagt om onderzoek. Dat is niet zo gek, want een patiënt is sowieso iemand die in bepaalde mate onzeker is. Hij komt bij de dokter omdat hij een klacht heeft. Als die klacht wordt onderzocht geeft hem dat – terecht of onterecht- een gevoel van zekerheid. De redenering van de huisarts wordt dan al snel: de patiënt vraagt erom, de risico’s zijn klein, het levert geld op: ik doe het. Ook als het onderzoek vanuit medisch oogpunt bezien niet direct erg nuttig is. De patiënt tegengas geven en “nee” zeggen wordt door het financieringsstelsel niet direct gestimuleerd. Integendeel. Vroeger was de huisarts de poortwachter tot de zorg. Hij selecteerde en zorgde ervoor dat alleen patiënten die werkelijk onderzoek en behandeling nodig hadden, de medische molen ingingen. Tegenwoordig gaat de huisarts steeds meer lijken op een winkelbediende die geneigd is om zoveel mogelijk van zijn waar te slijten aan de klant. Want het gaat om omzet.