Tobias Reijngoud

Onderwijs

Verbindend leraarschap

in: VanTwaalfTotAchttien, november 2013

Download het artikel in pdf

Laat je leerlingen zien hoe ze een krop sla moeten opkweken. Dan bereid je ze beter voor op de 21e eeuw dan wanneer je computers en apps een centrale plek geeft in je onderwijs.

Onderwijsvakblad Didactief had afgelopen voorjaar een bijlage over onderwijs in de 21e eeuw. In die bijlage stond een test voor leraren: Krijgen jouw leerlingen de kans om zich te ontwikkelen tot leerlingen met ‘21st century skills’? De test bestond uit zestien vragen, maar eigenlijk waren het allemaal varianten op slechts één vraag: spelen computers en ICT een grote rol in jouw onderwijs en in je persoonlijk leven? De varianten op die ene vraag waren onder meer: Is in elk klaslokaal een computer aanwezig, mogen leerlingen in de les functioneel gebruik maken van hun smartphone, beschikt jouw school over tablets met educatieve apps, en ben je zelf als leerkracht actief op LinkedIn?

De gedachte achter de test was blijkbaar: als leerlingen maar lekker educatief mogen rommelen met computers, apps en tablets, kunnen ze wel vooruit in de komende dik 85 jaar die van deze eeuw nog resteren. Die opvatting kom je in dit digitale tijdperk vaker tegen. Ze getuigt van een haast aandoenlijke kortzichtigheid en naïviteit. 

Allereerst is het verstandig om een beetje bescheiden te zijn. Want het is nogal pretentieus om te beweren dat je weet wat mensen de komende eeuw aan kennis en vaardigheden nodig hebben. Het is pas 2013! Wie kon in 1913 voorspellen welke ‘skills’ je nodig zou hebben om je door twee wereldoorlogen heen te slaan, je als ondernemer staande te houden in een mondiale economie, en niet verslaafd te raken aan fastfood of WhatsAppen? Om maar wat te noemen.

Daarnaast verwarren mensen die beweren dat leerlingen vooral lekker digitaal bezig moeten zijn, doel en middel met elkaar. Computers, internet en educatieve software kunnen inderdaad nuttige middelen zijn in het onderwijs. Net als een pennen, papier, schooltuinen, muziekinstrumenten en boeken dat kunnen zijn. Maar het zijn inderdaad middelen. Meer niet. Met het doel van onderwijs hebben ze niets te maken. 

Wat is dan het doel van onderwijs? Of beter: wat is de bedoeling van onderwijs? Waarom moeten kinderen eigenlijk naar school? Uiteraard om een zekere kennis op te doen en een aantal basisvaardigheden te ontwikkelen. Op school leren ze rekenen, schrijven en lezen, maar ook naar elkaar luisteren en met elkaar samenwerken. Dat leerlingen dat soort dingen moeten leren, ligt voor de hand. 

Maar die basis is bij lange na niet voldoende. Ze moeten vooral leren een ‘verbonden mens’ te zijn.

Ik hoor u al denken: een verbonden mens zijn? Kan dat niet wat concreter? Inderdaad: dat kan concreter. Ik leg het uit via een kleine omweg. 

Wie de westerse geschiedenis van de afgelopen decennia op hoofdlijnen beziet, ontwaart een belangrijke constante: een steeds verdere vergroting van de vrijheid. Maar dan wel een specifieke vorm van vrijheid: vrijheid als egocentrische en materiële ongeremdheid. Het gaat om een soort puberale ‘I want it all and I want it now’-vrijheid. Oud-VVD-leider Joris Voorhoeve zegt in NRC-Handelsblad dat het liberalisme van 90 procent van de huidige VVD-kiezers zich beperkt tot de vrijheid ‘om te verdienen en te consumeren’. Voorhoeve is daarmee mild, want wat betreft de neiging tot overvloedige consumptie is bijna iedereen tegenwoordig een VVD’er. We leven in de pubertijd.

Onze materiële obsessie leidt tot drie grote maatschappelijke vraagstukken: een economische- en schuldencrisis, een sociale crisis en een ecologische crisis. Die vraagstukken zijn niet zomaar opgelost. In alle bescheidenheid: ze zullen de politieke en maatschappelijke agenda de komende decennia vermoedelijk blijven beïnvloeden. 

De economische- en schuldencrisis wordt in de kern van de zaak veroorzaakt doordat we ons historisch hoge welvaartsniveau financieren met geld dat we niet hebben maar in de toekomst nog moeten verdienen. Het is dus rijkdom op de pof. Kopen op krediet doet iedereen, van huiseigenaar (hypotheek) tot rijksoverheid (begrotingstekort). We zijn zó sterk verslaafd aan consumeren dat we ons er tot in het ondraaglijke voor in de schulden hebben gestoken. Zo staan we fors bij de toekomst in het krijt. Dat tast het vertrouwen en de stabiliteit van de economie aan. Daar weten we, midden in de economische crisis, tegenwoordig alles van. 

Als gevolg van de economische onzekerheid staat de samenhang in de samenleving onder druk. Hoge werkeloosheid (zie landen als Spanje en Griekenland) en armoede kunnen leiden tot sociale spanningen en polarisatie in de samenleving. Ziedaar de tweede crisis: de sociale.  

En dan de derde: de ecologische crisis. We staan niet alleen bij de toekomst in het krijt. Onze welvaart is ook gecreëerd ten koste van de natuur en de aarde. In onze hebzucht naar economische groei en materiële vooruitgang jagen we de natuurlijke hulpbronnen er in ongekend tempo doorheen, vervuilen we bodem, water en lucht en tasten we het klimaat aan. De aarde heeft inmiddels bijna anderhalf jaar nodig om de bronnen aan te vullen die wij in één jaar opmaken. Dat blijkt uit berekeningen van het Global Footprint Network. We teren dus razendsnel in op onze reserves. Zo hebben we naast een financiële ook een forse ecologische schuld opgebouwd.

Het wordt daarom tijd voor een duurzame, toekomstbestendige manier van leven. Want, schrijft de Amerikaanse journalist Thomas Friedman: we naderen het punt waarop ‘both Mother Nature and Father Greed will hit the wall at once’. De noodzakelijke nieuwe manier van leven wordt gekarakteriseerd door maatgevoel en zelfbeheersing. Ongeremd en mateloos kopen en consumeren is niet langer verdedigbaar. We zullen een terughoudender manier van leven moeten ontwikkelen. 

Dat brengt ons terug bij het onderwijs. Want anders leren leven gaat niet zomaar. Het is langetermijnwerk. Onderwijs en opvoeding zijn onmisbare instrumenten om toekomstige generaties maatgevoel bij te brengen. Want juist onderwijs en opvoeding leggen de basis voor het leven en de latere levenshouding. Jong geleerd is oud gedaan. Het zijn bij uitstek de middelen om jongeren breed te leren denken: niet alleen aan hun eigen welvaart en rijkdom, maar ook aan de context waarin ze leven en aan de gevolgen van hun handelen. Het zijn de instrumenten om bij jongeren bewustzijn te ontwikkelen en hen te leren dat ongebreidelde materiële rijkdom niet zonder gevolgen is, maar ten koste gaat van hun eigen toekomst en van de wereld om hen heen. Het zijn kortom de instrumenten om ze te leren een verbonden mens te zijn. Verbonden met medeburgers, met toekomstige generaties en met de aarde en de natuur. De leraar die zijn kinderen dat leert, toont verbindend leraarschap.

Hoe doe je dat? Door in het onderwijs brede vorming centraal te stellen. Bijvoorbeeld door veel aandacht te geven aan een vak als geschiedenis. Want iemand met historisch besef relativeert zijn eigenbelang. Hij leert dat onze wereld en onze welvaart niet vanzelfsprekend zijn. Dat het ook anders kan. Verbindend leraarschap laat je ook zien door je leerlingen vreemde talen te leren. Want talen brengen ze in contact met de hele wereld en met andere mensen. Dat leidt tot begrip over en weer en mogelijk tot andere inzichten over hoe je je leven kunt invullen. 

Maar er is meer. Een verbindende leraar laat zijn jongeren romans lezen. Want via een verhaal leer je jezelf verplaatsen in een ander. Dat helpt je over je eigen inzichten en je eigen gelijk heen te stappen. Zo ontwikkel je je sociaal bewustzijn. Datzelfde doe je als je gezamenlijk muziek maakt. Want juist bij een vak als muziek gaat het om samenwerken, luisteren en afstemmen. En wat te denken van werken in een schooltuin? Wie met veel moeite een kropje sla opkweekt, beseft hoe kwetsbaar de natuur is en hoe belangrijk het is om er respectvol en terughoudend mee om te springen.

Historische kennis op doen, vreemde talen leren, romans lezen, muziek maken en sla kweken: dát zijn de ‘21 century skills’ waar de samenleving behoefte aan heeft en die leerlingen in staat stelt een waardevol leven te leiden. Op een laptop of tablet werken kan hooguit hier en daar helpen in het leerproces. Meer niet.

 Tobias Reijngoud

De moderne gemaksmens wil een eenvoudig en overvloedig leven

gepubliceeerd in Trouw, 21 feb. 2012

download artikel in pdf

"Werkelijke vrijheid betekent: vrij zijn van het najagen van begeerten en behoeftes, geen slaaf zijn van je driften”, zegt cultuurfilosoof Rob Riemen. De schuldencrisis is volgens hem het gevolg van een perverse vorm van vrijheid.

“De schuldencrisis beheerst de krantenkoppen. Maar al die aandacht voor de financieel-economische problemen is misplaatst. Want we hebben vandaag te maken met een veel dieper vraagstuk: een beschavingcrisis. Zolang we dat niet onderkennen lossen we ook de schuldencrisis niet werkelijk op.” Dat zegt cultuurfilosoof Rob Riemen, oprichter en directeur van het Nexus Instituut. Riemen kreeg veel aandacht met zijn boek ‘De eeuwige terugkeer van het fascisme’, waarin hij Geert Wilders en de PVV kenschetste als het prototype van hedendaags fascisme. Sindsdien ijvert de Partij voor de Vrijheid voor stopzetting van de overheidssubsidie aan het Nexus Instituut.

We hebben te maken met een beschavingscrisis… Leg uit.

“De beschavingscrisis komt voort uit het gegeven dat de mens een wezen is met een dubbele natuur. Enerzijds heeft de mens een fysiek en aards bestaan. Hij heeft driften en instincten. De mens is een dier. Als hij zijn driften ongebreideld botviert, als hij het dier in zichzelf de teugels geeft, is de mens gewelddadig. Maar de mens heeft ook een andere kant. Hij is een geestelijk wezen dat de wereld van de ideeën en de kracht van de verbeelding kent. De mens is in staat om de grote ideeën die het leven waardevol maken, te kennen. Vrijheid, waarheid, goedheid, vriendschap, liefde, schoonheid, compassie, rechtvaardigheid, wijsheid. De basis van elke beschaving en elke moraal is het besef dat de mens zijn identiteit ontleent aan wat hij moet en kan zijn, aan zijn potentie: drager van onvergankelijke waarden die een uitdrukking zijn van menselijke waardigheid en menselijke grootheid. Maar het besef van de universele, geestelijke waarden zijn we in onze postmoderne, nihilistische samenleving verloren. De grote waarden zijn zonder betekenis geworden omdat alles gezien wordt als relatief en subjectief. Mijn waarheid en mijn gelijk zijn net zo goed als die van jou. Alles kan alles betekenen, en dus betekent het niets meer. Dat is het karakter van de huidige beschavingscrisis.”

Wat is daar het gevolg van?

“Beschaving is altijd maar een heel dun vernislaagje dat het gewelddadige beest in de mens bedekt. Op het moment dat we de absolute, geestelijke waarden vergeten, verdwijnt het laagje vernis en rest ons niets anders dan het najagen van onze driften. Het verlies van waarden en cultuur kan uiteindelijk alleen maar leiden tot een eindeloze spiraal van geweld. Dat hebben we in de loop van de twintigste eeuw in zijn volledige en verschrikkelijke omvang ervaren. Maar geweld kan ook andere vormen aannemen, zoals roofbouw op het milieu of op de economie. De beschavingscrisis van vandaag ligt ten grondslag aan alle andere grote, actuele vraagstukken. Van de milieu- en klimaatcrisis, als gevolg van overvloedig consumeren, tot aan de krediet- en economische crisis, als gevolg van het blind najagen van bonussen en financieel gewin. Ook de huidige schuldencrisis is het gevolg van onbeheerste welvaartsgroei, gefinancierd op kosten van de toekomst. Blind en onbeheerst najagen van begeerten is een vorm van geweld.”

De beschavingscrisis is volgens Riemen een perverse uiting van een op zichzelf uiterst waardevol ideaal: vrijheid. Riemen: “In het midden van de negentiende eeuw zagen we in Europa en de rest van de westerse wereld de opkomst van de democratie. Eindelijk wist de samenleving zich te bevrijden van het juk van kerk, aristocratie, vorsten en feodale structuren. De idee van de individuele vrijheid deed haar intrede in de westerse geschiedenis. Europa stond op de drempel van een vrije samenleving waarin grenzen konden worden geslecht, individuele vrijheid werd gerespecteerd en geestelijke waarden die de beschaving schragen, werden gecultiveerd. Er ontstond een democratische rechtstaat met instituties waarmee de vrijheid werd vormgegeven en gegarandeerd.”

Maar wat ging er dan mis?

“Vrijheid komt met verantwoordelijkheid. Wie zegt: ik ben vrij, zegt ook: ik ben verantwoordelijk. Gelijktijdig met de opkomst van de individuele vrijheid ontstond een angst voor de verantwoordelijkheid die vrijheid met zich meebrengt. Werkelijke vrijheid is vrijheid van geest. Werkelijke vrijheid betekent: vrij zijn van het najagen van begeerten en behoeftes, geen slaaf zijn van je driften. Het betekent de overwinning van de fysieke, dierlijke kant van de dualistische mens. Maar geestelijke vrijheid komt je niet zomaar aanwaaien. Het kost moeite en tijd, het vergt inspanning en studie, het vraagt verantwoordelijkheid. Dat schrikt af. En zo ontstaat angst voor de vrijheid en krijgt vrijheid voor we het weten een gemakkelijke vorm: een fysieke vrijheid.”

De westerse cultuur is in diepste zin een gelijkheidscultuur, zegt Riemen. “In de joods-christelijke traditie enerzijds is elk mens in de ogen van God gelijk. In de seculiere traditie van het Europees humanisme anderzijds bestaat het gelijkheidsideaal in de idee dat de ware identiteit van de mens niet schuilt in wat hem van anderen onderscheidt (geld, macht, afkomst, geslacht, ras), maar juist in wat hem met de medemens verbindt. De religieuze en humanistische tradities baseren het gelijkheidsideaal op absolute geestelijke waarden: mensen delen de grote ideeën zoals liefde en goedheid, en worden juist doordoor met elkaar verbonden. Maar in de moderne, nihilistische maatschappij is het gelijkheidsideaal geperverteerd tot de gedachte dat alles voor iedereen bereikbaar en toegankelijk moet zijn. Zo ontstaat de massamaatschappij waarin iedereen hetzelfde wil hebben als ieder ander.”

In zo’n maatschappelijke omgeving zien we een voortdurende tendens naar het laagste punt, meent Riemen. “Alles wat moeilijk is - geestelijke ontwikkeling- wordt als antidemocratisch gekenmerkt omdat het niet direct en zonder inspanning bereikbaar en begrijpbaar is voor de massa. Geestelijke ontwikkeling vergt inspanning en is alleen daarom al verdacht. Zo wordt de gemaksmens geboren die zich gedraagt als een verwend kind dat zijn behoeftes en begeerten direct en zonder inspanning bevredigd wil zien. Voor hem is vrijheid verworden tot het najagen van het gemakkelijke: zijn begeerten. In de massamaatschappij van vandaag heeft ‘vrijheid’ een materialistische vorm aangenomen. Vrijheid wordt vertaald als de vrijheid om te kopen, te consumeren en te genieten van de genoegens van het leven. Voor de hedendaags gemaksmens moet het leven eenvoudig en overvloedig zijn.”

Wat is het antwoord op de beschavingscrisis?

“Onderwijs en opvoeding zijn essentieel. Goed onderwijs richt zich op geestelijke vorming. Vanzelfsprekend hebben we ook technische en praktische kennis nodig, maar dat hoort niet het hart uit te maken van onderwijs. Dat hart moet bestaan uit de kunsten en de humaniora: taal, literatuur, filosofie en geschiedwetenschappen. Die vakken leren je om vragen te stellen en open te staan voor mensen die anders zijn, anders denken en een andere culturele achtergrond hebben. Ze vormen de basis van een open, democratische en vrije samenleving en helpen om kritisch te kijken naar jezelf en de maatschappij en om een tegenwicht te bieden aan plat consumentisme.”

Tobias Reijngoud

Het onderwijs creƫert gezapige koeien

gepubliceerd in Trouw, april 2011

download hele artikel in pdf

Het onderwijs is te veel gericht op bruikbare kennis en te weinig op vorming, vindt hoogleraar filosofie Grahame Lock. "Onderwijs wordt pas goed gevonden als het economisch nut heeft. Creatief denken sterft een stille dood."

Het woord school stamt van het Griekse scholè, en dat betekent zoveel als vrije ruimte. De school als windstille plek in een jachtige samenleving, als plek om iets anders te leren en te denken dan waar de samenleving om vraagt. Maar de tijd dat de school zo werd gezien, is voorbij, zegt Grahame Lock, hoogleraar filosofie in Oxford en Nijmegen. "De politiek, maar ook de onderwijswereld zelf, vindt onderwijs pas goed als het economisch nut heeft."

Onderwijs heeft een vormende taak, schreef ook de Onderwijsraad vorige week in een advies aan de Eerste Kamer. De raad meent dat jongeren op school kennis moeten kunnen nemen van tradities, cultuur en moraal. Dat vormt de persoonlijkheid. Leraren moeten zich ervan bewust zijn dat onderwijs verbonden moet zijn met vorming, aldus de raad.

Lock - die dertig jaar in Nederland woonde en zitting heeft in het 'filosofisch elftal' van Trouw- is het eens met die analyse. Het tegenwoordige onderwijs is eenzijdig gericht op het verwerven van economisch nuttige kennis, zegt hij.

"De school wordt gezien als een fabriek om de werknemers van de toekomst op te leiden. Dit beperkte denken is een symptoom van de economisering van het onderwijs. Het onderwijs is te veel gericht op het ontwikkelen van competenties. Met andere woorden: op bruikbare kennis."

Dus u bent blij met het pleidooi van de Onderwijsraad voor aandacht voor algemene vorming.

"Nee, want het is een vrijblijvend advies vol algemene, nietszeggende uitspraken. Een van de centrale aanbevelingen is dat de leraar zijn eigen rol bij de vorming van leerlingen moet onderkennen. De kans dat zo'n vage aanbeveling in de praktijk effect heeft, is verwaarloosbaar."

Waar blijkt die economisering van het onderwijs uit?

"Neem het taalonderwijs. Dat is tegenwoordig vrijwel uitsluitend gericht op het leren gebruiken van de taal. Op praktisch nut dus. Belangrijk, maar eenzijdig. Want taal heeft ook een esthetische, poëtische kwaliteit. Een kind dat die kant leert waarderen, wordt een rijker mens. Het bestuderen van een vergeten, zeventiende-eeuwse dichter is interessant en verrijkend."

Hoe kan die trend worden doorbroken?

"Ik ben weinig hoopvol. De krachten richting economisering zijn sterk. Ons onderwijs is de afgelopen decennia ten prooi gevallen aan de ideologie van kostenefficiëntie die ook dominant is in het bedrijfsleven. Een fabrikant van auto's wil tegen zo laag mogelijke kosten zoveel mogelijk auto's produceren van een aanvaardbare kwaliteit. Zo maximaliseert hij zijn winst. De politiek wil scholen die tegen zo laag mogelijke kosten werknemers produceren van een aanvaardbare kwaliteit. Vakken zonder direct economisch nut, zoals geschiedenis en literatuur, worden gezien als financiële verliespost. En dus worden die vakken gemarginaliseerd. Ouders die hun kinderen meer willen meegeven dan economisch nuttige kennis, zullen dat buiten schooltijd zelf moeten organiseren."

Onderwijs is de basis van onze welvaart. Is het dan zo gek dat minister Van Bijsterveldt wil dat scholen vooral tijd besteden aan nuttige vakken als Nederlands, Engels en wiskunde?

"Natuurlijk moet onderwijs een aantal basisvaardigheden aanleren op het gebied van rekenen en taal. Maar daar mag het niet bij blijven. Een school is bij uitstek een plek om jonge mensen in aanraking te brengen met cultuur en geschiedenis. Zo kweek je zelfstandige geesten die niet kritiekloos meehobbelen met de massa. Maar er is een politiek belang bij het dom houden van mensen. Iemand die zich nooit heeft verdiept in geschiedenis kan ook ontwikkelingen in de wereld van vandaag niet duiden. Zo iemand kun je van alles wijsmaken."

Nederland moet het hoofd bieden aan landen als China en India. Doen we dat niet, dan verliezen we economische concurrentiekracht...

"Dat China het economisch goed doet, hoeft niet te betekenen dat wij moeten doen wat de Chinezen doen. Dat is zelfs in economische termen gesproken tamelijk dom. Je moet juist differentiëren en niet elkaar kopiëren. Reageren is altijd slecht, je moet uitgaan van eigen kracht. Het is kortzichtig om als een kip zonder kop met z'n allen in dezelfde richting te rennen. Dat is wel wat in het onderwijs gebeurt doordat er maar één maat gehanteerd wordt voor goed onderwijs: de economische opbrengst."

Hoe kan het anders?

"Binnen het onderwijs leeft het idee dat de school met zijn tijd moet meegaan. Het onderwijs wordt voortdurend aangepast aan wat men de belevingswereld van kinderen noemt. Kinderen luisteren thuis naar bepaalde muziek, en dus wordt die muziek ook op school gebruikt in de muziekles. Kinderen zitten thuis uren per dag achter de computer. En dus mogen ze de informatie die ze nodig hebben voor een spreekbeurt al plakkend en knippend van internet halen en wordt niet van ze verwacht dat ze naar de bibliotheek gaan om zich echt te verdiepen in hun onderwerp. De school moet juist een tegenkracht zijn, moet niet te veel meebuigen met de tijdgeest. Naar Beethoven luisteren op school is een verrijkende ervaring voor kinderen die van huis uit alleen popmuziek kennen."

Een school die niet met zijn tijd meegaat, verliest toch leerlingen?

"Die ideologie van met je tijd meegaan, is dominant en voor een individuele school is het lastig om tegen die stroom in te roeien. Leraren zijn de afgelopen decennia steeds onzekerder geworden. Ze durven bijna niet meer op eigen gezag te zeggen: ik ben een vakman, ik weet wat goed is voor kinderen en dus richt ik mijn lessen zus en zo in en draai ik muziek van Beethoven. Die onzekerheid is het gevolg van de bureaucratisering van het onderwijs en de controlecultuur die daar heerst. Lesmethodes schrijven gedetailleerd voor wat en hoe er moet worden geleerd. De onderwijsinspectie kijkt scholen en leraren op de vingers, net als al die managers die op scholen rondlopen. Dat hele controleapparaat maakt leraren onzeker. Je moet stevig in je schoenen staan om te zeggen: ik ga met de kinderen een zeventiende-eeuwse dichter besturen omdat ik die gedichten mooi vind. Wie dat doet, krijgt het hele bureaucratische apparaat over zich heen met de vraag wat het bestuderen van die gedichten nou eigenlijk oplevert."

Waar leidt dit in uw ogen eenzijdige onderwijs toe?

"Kritisch, creatief denken sterft een stille dood. De mens wordt een massamens die meeloopt met de rest. Dat betekent niet dat mensen ongelukkig worden. Integendeel, meelopen kan een fijn gevoel geven. Maar het is wel het soort geluk dat lijkt op de gezapigheid van een koe. De twintigste-eeuwse filosoof Alexandre Kojève spreekt in dit verband in overdrachtelijke zin van het einde van de geschiedenis; we leven in een tijdperk waarin de mens een gemakswezen is geworden dat niets anders wil dan een prettig en gerieflijk leven leiden. Maar in die situatie gaat iets van grote waarde verloren: de vrije geest. Aristoteles stelt dat de mens het moeilijkste moet doen dat er bestaat: nadenken over filosofische vragen en zich geestelijk ontwikkelen. Want juist het bezit van de geest en de verbeelding maakt de mens uniek en onderscheidt hem van het dier. In een samenleving waarin mensen gezapige koeien zijn geworden, is dat onderscheid verdwenen."

Tobias Reijngoud

Publicist Jan Blokker over het nut van nutteloze vakken

fragment uit: Weten is meer dan meten (2012)

“Meneer Blokker, als ik geschiedenis ga studeren, kan ik dan later tafelzilver kopen?” Dat vroeg een van mijn leerlingen me toen ik geschiedenis gaf aan het Vossius Gymnasium in Amsterdam. Het was ergens in de jaren negentig. Ik antwoordde dat er vermoedelijk geen tafelzilver in zou zitten als hij zou kiezen voor geschiedenis, maar dat het wel een ontzettend interessante studie is. Het mocht niet baten: de jongen is iets anders gaan studeren, iets waarmee zijn kansen op de arbeidsmarkt er een stuk rooskleuriger uitzagen.

Het is niet nieuw om het nut van studies en vakken in het onderwijs te beoordelen op basis van de kansen die ze je later bieden op de arbeidsmarkt. In de jaren tachtig en negentig had je overheidscampagnes als ‘Kies exact’ en ‘Een slimme meid is op haar toekomst voorbereid’. Dat was welbewuste propaganda voor bètavakken. En ook daarvoor al was er sprake van een overwaardering van zogenaamde ‘nuttige’ vakken boven de ‘onnuttige’. Daarbij wordt ‘nuttig’ gedefinieerd in economische termen. Het gaat om vakken en studies waarmee je later een succesvolle carrière kunt maken (lees: veel geld kunt gaan verdienen). En het gaat om opleidingen waarmee je een bijdrage kunt leveren aan economische groei en ontwikkeling.

Dit nuttigheidsdenken leidt in de praktijk tot een soort alfavijandigheid. Het zijn immers vooral de exacte vakken, aangevuld met de ‘nuttige’ talen (Engels!) die hoog worden aangeschreven. De huidige minister van onderwijs baseert er zelfs haar beleid op: ze wil dat scholen zich vooral richten op wiskunde, Nederlands, Engels en ‘science’. Dat laatste is een wat amorf samenraapsel van verschillende exacte vakken zoals natuurkunde, biologie en scheikunde. Alle andere vakken zijn in de ogen van de minister tweederangs – hoewel ze dat natuurlijk niet met zoveel woorden zegt. Wat ze wél zegt is dat een sterke gerichtheid op de nuttige vakken belangrijk is om “onze internationale concurrentiekracht te versterken.”

Je kleuterjuf bepaalt je latere salaris

gepubliceerd in nrc.next, november 2010

Wie vroeger een goede kleuterjuf had, heeft later meer kans op een succesvolle carrière. Maar het getuigt van een beperkte kijk als je de opbrengst van onderwijs alleen afmeet aan het carrièresucces later.

Ouders: opgelet. Zorg ervoor dat je zoon of dochter bij een ervaren kleuterjuf in de klas komt. Want dat verhoogt het salaris dat je kind later gaat verdienen. Wie bij een kleuterjuf in de klas zat met meer dan tien jaar werkervaring, strijkt op zijn zevenentwintigste ruim duizend dollar per jaar meer op dan iemand die bij een groentje leerde plakken en knippen. Duizend dollar: dat is een inkomen van bijna zeven procent hoger dan gemiddeld. Kleuters die bovendien goed scoren op reken- en taaltesten wonen later vaker in een koophuis en sparen beter voor hun pensioen.

Dat bleek vorige maand uit een onderzoek van het Amerikaanse National Bureau of Economic Research. Het onderzoek werd uitgevoerd door onder meer een aantal economen van Harvard University. Het gaat om een uniek, langjarig experiment. De onderzoekers volgden vanaf 1985 ruim elfduizend Amerikaanse jongeren van hun kleuterschool tot hun zevenentwintigste. ,,Uit ons onderzoek blijkt dat vooral de indirecte effecten van reken- en taallessen aan kleuters van belang zijn voor het latere carrièresucces”, zegt Danny Yagan, een van de economen van het onderzoeksteam en verbonden aan Harvard. ,,Als er op een kleuterschool veel aandacht is voor rekenen en taal, betekent dat namelijk dat kleuters indirect algemene vaardigheden ontwikkelen zoals discipline en geconcentreerd werken.” Juist die vaardigheden komen tijdens de latere carrière van pas, minder dan de reken- en taalkennis op zich, zegt Yagan. ,,Voor hun latere carrière is het dus vooral belangrijk dat kleuters niet-cognitieve vaardigheden krijgen aangeleerd, zoals een positieve werkhouding, motivatie, de wil om te leren en de kunst van het samenwerken.”

Daar is Fons van Wieringen, voorzitter van de Nederlandse Onderwijsraad, het mee eens. De Onderwijsraad is een formeel adviesorgaan van de Nederlandse regering en kwam eerder dit jaar met het advies om de onderwijskwaliteit aan peuters en kleuters te verbeteren. Van Wieringen: ,,Peuters en kleuters hebben belang bij een breed onderwijsaanbod. Daarbij gaat het om cognitieve kennis als taalvaardigheid, maar ook om zaken als bewegen, tekenen en muziek maken.”

De Onderwijsraad pleit voor doelgericht stimuleren van de ontwikkeling van jonge kinderen, zegt Van Wieringen, die naast zijn voorzitterschap van de Onderwijsraad hoogleraar onderwijskunde is aan de Universiteit van Amsterdam. ,,Wij pleiten vooral voor een beter aanbod aan driejarigen. Ruim 90 procent van hen gaat momenteel naar een bepaalde vorm van opvang. Maar het personeel daar is over het algemeen niet goed toegerust om kinderen kennis en kunde bij te brengen. Men is vooral gericht op verzorging.” Dat is jammer, vindt Van Wieringen, want jonge kinderen zijn enorm leergierig en vatbaar voor nieuwe kennis en vaardigheden. ,,Die leergierigheid moet je voeden en stimuleren. Het is goed om jonge kinderen uit te dagen en te prikkelen. Het is nuttiger om bij wijze van spreken drieduizend euro te investeren in het onderwijs aan een driejarige peuter dan in een cursus voor een dertigjarige volwassene. De effecten van het onderwijs aan de peuter zie je terug in zijn hele verdere schoolloopbaan en carrière.”

Toch is het de vraag hoe belangrijk carrièresucces moet zijn bij de invulling van het onderwijs. ,,Het getuigt van een beperkte kijk als je de opbrengst van onderwijs alleen afmeet aan het carrièresucces later.” Dat zegt Grahame Lock, hoogleraar filosofie in Oxford, Leiden en Nijmegen en publicist op het gebied van onderwijs. Lock: ,,Dit beperkte denken is een symptoom van de economisering van het onderwijs. Onderwijs wordt steeds meer gezien als een middel om economisch nuttige werknemers op te leiden, niet om mensen persoonlijk te ontwikkelen.” Volgens Lock zie je de economisering goed terug bij het onderwijs in een vreemde taal. ,,Dat is tegenwoordig vrijwel uitsluitend gericht op het leren gebruiken van die taal. Op praktisch nut dus.” Niet onbelangrijk maar wel eenzijdig, vindt de hoogleraar. ,,Want taal heeft, naast praktisch nut, ook een esthetische kant. Dan gaat het om de poëtische kwaliteit van taal. Een kind dat die kant leert waarderen, wordt een rijker mens. Aandacht voor poëzie en literatuur heeft wellicht geen economisch nut, maar het is wel van belang voor de persoonlijke ontwikkeling.”

Lock is somber over de kans dat een bredere onderwijsvisie op korte termijn in de praktijk zal worden gebracht. ,,De trend is precies de andere kant op”, zegt de hoogleraar. ,,Alles draait om economisch nut. Het is een teken van deze tijd dat iemand die werkeloos is zich ook als mens vaak nutteloos voelt. Hij heeft immers geen economische waarde. Die redenering is ridicuul. Je waarde als mens kan toch niet worden bepaald door de vraag of je wel of geen een bijdrage levert aan het bruto nationaal product?”

Tobias Reijngoud, 2010

Een derde van de scholieren heeft schulden

gepubliceerd in: NRC Handelsblad en nrc-next, nov. '08

Een op de drie scholieren heeft schulden of speelt om geld. Vrijgevige ouders zijn een belangrijke oorzaak van het probleem. Dat blijkt uit onderzoek van de Radboud Universiteit Nijmegen.

Frides van de Ven (15) krijgt te weinig zakgeld. Vindt hij zelf. ,,Ik krijg per maand zestig euro, daar moet ik ook mijn kleren mee kopen. Dat is dus écht minimaal”, aldus de Amsterdamse gymnasiast. ,,Ik kan nauwelijks één kledingstuk per maand kopen. Broeken of truien zijn vaak te duur. Mijn moeder vindt dat ik voor dure aankopen moet sparen. Maar daar ben ik niet zo goed in. Aan de andere kant: ik leen nooit geld. En als ik naar een feestje ga, hou ik mijn uitgaven beperkt. Ik krijg meestal wel een drankje aangeboden. Blijkbaar heb ik rijke vrienden.”

Frides is in zekere zin een uitzondering. Want uit onderzoek van de Radboud Universiteit Nijmegen bleek vorige maand dat een derde van de jongeren tussen de 8 en de 18 jaar schulden heeft, rood staat of regelmatig om geld speelt, bijvoorbeeld in de gokhal, via internet of met de telefoon. ,,Uit ons onderzoek onder 4.000 jongeren blijkt dat een flink aantal van hen wel eens dingen op afbetaling koopt, zoals drank in een café”, vertelt Jeroen Winkels, coördinator van het Nijmeegse onderzoek. Volgens Winkels zijn pubers vaak meer gericht op uitgeven dan op sparen. ,,Het zakgeld gaat vaak op aan zaken als kleding, cosmetica, de mobiele telefoon en uitgaan.”

Voor ouders die denken dat ze het uitgavenpatroon van hun kroost flink kunnen beïnvloeden, heeft Jeroen Winkels een ontnuchterende mededeling: ,,Kinderen vanaf ongeveer twaalf jaar trekken zich steeds minder aan van hun ouders. Ze worden vatbaarder voor reclame en voor leeftijdsgenootjes.” Toch blijft de rol van pa en ma belangrijk bij het leren omgaan met geld. Winkels: ,,Ouders die vrijgevig zijn richting hun kinderen, vragen om problemen. Want hun kinderen leren niet wat de consequenties zijn als het zakgeld op is.” Ouderwets streng zijn is dus het devies. Maar daarin moeten ouders ook weer niet doorschieten. ,,Mensen die hun kinderen helemaal geen zakgeld geven, doen het ook niet handig”, meent Winkels. ,,Want ze ontnemen hun kinderen de kans om ervaring op te doen met geld. Ook dat is vragen om problemen voor later.”

Kinderen die niet goed hebben leren omgaan met geld, lopen ook als volwassene het risico in fouten te vervallen. Winkels: ,,Bepalend is vooral wat je eigen ouders zeiden als je ze om extra geld vroeg. Hielden ze toen de hand op de knip? Of waren ze toegeeflijk? Dat beïnvloedt het financiële gedrag tijdens het latere leven.” Dát er ook onder jongvolwassenen veel financiële problemen bestaan, bleek eerder dit jaar uit onderzoek van het Nibud. Ruim dertig procent van de jonge twintigers leent wel eens geld, zo stelt het budgetinstituut. Van de studenten in het hoger onderwijs leent bijna de helft maandelijks 100 tot 500 euro. Dat zijn deels studieschulden. Het Nibud keek ook naar de omvang van de lenigen onder tieners: die varieert meestal van één tot honderd euro per maand.

Jongeren die bij de bank lenen hebben vaak geen idee hoe hoog de rente is die ze betalen. Bovendien denken ze op het moment van het afsluiten van de lening niet na over de vraag of ze het geld eigenlijk wel kunnen terugbetalen. Dat zegt Dorian Kreetz, onderzoeker van het Nibud. Kreetz: ,,Jongeren doen vaak nogal makkelijk over geld. De drempel om te lenen is laag. Je kunt een lening makkelijk en snel via internet regelen. We hebben de indruk dat de schuldenproblematiek onder jongeren de laatste jaren toeneemt, hoewel we daar geen harde cijfers over hebben.”

Al met al geen nieuws om vrolijk van te worden. Wat kan er aan worden gedaan? ,,Allereerst is de opvoedende rol van de ouders niet te onderschatten”, zegt Jeroen Winkels van de Radboud Universiteit. Maar omdat de invloed van ouders op puberende kinderen beperkt is, zou er volgens Winkels ook moeten worden nagedacht over brede voorlichtingscampagnes rond de risico’s van lenen en een te hoog uitgavenpatroon. Tot slot zou er in het onderwijs meer aandacht moeten zijn voor het fenomeen ‘geld’ en alles wat daar bij hoort. Winkels: ,,Vrij veel jongeren missen elementaire kennis over geld. Er zijn bijvoorbeeld nogal wat jongeren die denken dat je rente moet betalen als je geld op de bank zet.”

Tobias Reijngoud